Waarom Windevissen

Door Johan Sibum

Voor ons vissers uit de Randstad zijn WINDES vaak bijvangst. We vissen er niet gericht op.
We hadden graag Johan Sibum ontvangen om daar een lezing over te geven. Maar hij berichtte dat hij, vanwege zijn leeftijd, mee gestopt is. Johan is een geroutineerde visser en een heel goede schrijver. Met zijn toestemming publiceren we het volgende artikel van hem over WINDES. We publiceren het ook omdat we van plan zijn om volgend voorjaar eens echt ons best te doen om in of aan het IJsselmeer windes te vangen met de vliegenhengel. Ter voorbereiding dus.
Veel leesplezier. Chris van Elk

WAAROM EEN ARTIKEL OVER DE WINDE?
(door Johan Sibum)

Reeds jaren geleden viste ik met de nimf op blankvoorn in het IJsselmeer. Bijvangsten zoals baars, brasem en winde waren geen uitzondering.
Toen ik echter op een warme windstille zomerdag een grote school windes ontdekte, die met hun bekjes omhoog de vlakke waterspiegel in beroering brachten, kwam plotseling de gedachte bij me op, dat de mogelijkheid toch moest bestaan om deze mooie sterke vis met meer regelmaat aan de schubben te komen. De beschikbare lectuur werd geraadpleegd, maar deze bleek uitermate summier. Naast min of meer wetenschappelijke gegevens over de winde waren er slechts enkele publicaties over wadend vissen met de vlieg bij Muiden. Hierin werd, na mij achteraf is gebleken nooit ingegaan op de werkelijk belangrijke zaken die grotendeels de kansen op succes bepalen. Daar experimenteren in mijn bloed zit, besloot ik er zelf maar op uit te trekken om eventuele mogelijkheden te onderzoeken. Het lijkt me leuk de lezers en vooral de vliegvissers onder hen die in de directe omgeving van het IJsselmeer wonen, deelgenoot te maken van de inmiddels door mij opgedane ervaring, in de hoop dat zij net zoveel plezierige uren zullen beleven tijdens hun pogingen deze prachtige sportvis te verschalken.
Alvorens echter wordt ingegaan op de geschikte periodes, plaatsen en methodes , volgt eerst enige algemene informatie over de winde.

BELANGRIJKE KENMERKEN.
De winde is een voornachtige, die door een leek gemakkelijk wordt verward met blankvoorn en kopvoorn (ook wel meun genoemd). De zogenaamde meunen die ik in het IJsselmeer zag vangen bleken bij nadere controle steeds windes te zijn.
Als eerste belangrijke kenmerk geldt dat de schubben van de winde verhoudingsgewijs kleiner zijn dan die van blank- en kopvoorn. De laatste twee soorten hebben ongeveer 45 schubben op de zijlijn, terwijl dit er bij de winde ongeveer 60 zijn. (Ik hoop dat de     heren wetenschappers mij deze ietwat ruwe benadering vergeven).
Kleine windes tot ongeveer dertig cm. zijn aan de flanken zilverkleurig, grotere exemplaren goud- tot bronskleurig.
Hoewel er tussen de drie genoemde soorten nog diverse andere verschillen bestaan, hebben we mijns inziens aan deze gegevens genoeg om naamsverwisseling uit te sluiten.

VOEDING.
Hoewel (grote) windes ook kleine visjes eten, bestaat hun natuurlijk voedsel voornamelijk uit insecten, insectenlarven en schelp- of schaaldiertjes. Bekend is ook dat de winde 's winters min of meer passief verblijft op diepere plaatsen (o.a. de diverse IJsselmeerhavens ).
Uit deze gegevens kunnen we het volgende opmaken: Het koude jaargetijde is ongeschikt voor onze doeleinden. We zullen de winde moeten zoeken op die plaatsen waar voldoende voedsel aanwezig is. In de praktijk blijkt de gunstige periode te vallen tussen april en september. Jaarlijkse schommelingen in temperatuur veroorzaken soms een verschuiving van enkele weken.

WAAR KUNNEN WE WINDES VERWACHTEN?
Ondiepe oevergedeeltes met rietkragen leveren soms succes op. Indien er zich hier wierbedden bevinden waar omheen wadend kan worden gevist, stijgen de kansen. Toch zijn de beste stekken elders te vinden. Voornamelijk de eerste 300 a 500 meter langs de IJsselmeerdijk rond diverse werk- en jachthaventjes zijn bij mij favoriet. Deze haventjes vormen vaak hoeken in het IJsselmeer waar de winde graag verblijft. Ook de vele kleine piertjes (o.a aan de Friese kant) bieden goede mogelijkheden. De winde zoekt op de twee laatstgenoemde plaatsen dikwijls voedsel op de onder water liggende basaltstenen, maar ook insecten die vanaf de begroeide oever of dijk in het water terechtkomen worden met graagte genuttigd.
Wadend vissen is hier vaak moeilijk en niet nodig.

WINDRICHTING, WINDKRACHT EN TEMPERATUUR (IN SAMENHANG) ZIJN VAN DOORSLAGGEVEND BELANG.
De windrichting op zichzelf schijnt weinig invloed uit te oefenen op de bijtlust van de winde. De optimist die denkt met een lekker zuidwesten windje op een willekeurige plaats aan het IJsselmeer een aantal windes te vangen,zal dikwijls bedrogen uitkomen.
Als de windkracht 4 of hoger is kunt u beter thuisblij ven. Op deze regel is echter 1 uitzondering.
Bij aanhoudende landinwaartse wind komen de windes vaak onder de kant. Waait hierna de wind landafwaarts, dan zijn de eerstvolgende dagen zelfs bij windkracht 4 of hoger vaak succesvol.
Het water wordt nu snel weer helder en de winde aast op inwaaivoedsel, zodat vooral het vissen met de droge vlieg resultaat oplevert.
De beste vangsten worden meestal geboekt nadat een zachte wind (kracht 3 of minder) enige dagen op de kant staat.
We moeten wat betreft de temperatuur onderscheid maken tussen het vissen met natte vlieg of nimf en de droge vlieg.
Het vissen met de droge vlieg heeft in de regel pas nut bij temperaturen van ongeveer 18 graden of hoger. Temperaturen tussen 14 en 18 graden zijn geschikt voor natte vlieg of nimf.
De winde is zeer gevoelig voor veranderingen van temperatuur. Vooral plotselinge temperatuursdalingen van 3 of meer graden maken onze visdag vaak     kansloos. Ook te warme dagen (27 graden en hoger) zijn ongunstig. De windes vormen dan dikwijls grote scholen die op enige afstand langs de oever trekken.
Het gebeurt echter dat ze tijdens dergelijke perioden met hun bijtlust tegelijk hun schuwheid verliezen en vlak voor onze voeten zwemmen zonder enige aandacht te schenken aan onze kunstvlieg. Verspil in dit geval uw energie maar niet, want behalve een domme toevalstreffer zult u weinig vangen.
Hoewel de winde normaal gesproken ook overdag goed kan worden gevangen, is het onder deze omstandigheden beter de vissen met rust te laten en te wachten tot enige uren voor het 's avonds donker wordt.
Kleine schooltjes scheiden zich dan af van de grote groep en azen alsnog vlak langs de basaltstenen. Deze uren kunnen uw dag nog ruimschoots goed maken.
Volledigheidshalve moet bij deze opsomming van gunstige weersomstandigheden nog worden vermeld, dat het de winde weinig schijnt uit te maken of de lucht helder of bewolkt is.
In theorie weten we nu waar en wanneer we de winde met succes kunnen belagen. Het wordt nu tijd om aandacht te schenken aan de praktijk van het vissen zelf.

MATERIALEN.
Een lange vliegenhengel (2.70 a 3.00 m) met een drijvende vliegenlijn aftma 4-6 is zowel voor natte vlieg, nimf als droge vlieg geschikt. Deze langere hengels zijn te prefereren boven kortere, omdat het hiermee zittend of knielend op de stenen gemakkelijker is de vliegenlijn hoog te houden en de kunstvlieg met zo min mogelijk valse worpen voor de schuwe azende windes in of op het water te zetten.
In de praktijk zijn hengels voor lichtere vliegenlijnen te kort of te slap voor dit doel. In het laatste geval hebben we ook te weinig controle over de vis tijdens de dril.
Een normale leader met een leadertip van ongeveer 1.50 m nylon 14 of 16/100 volstaat bij het vissen met natte vlieg of nimf. Met dezelfde leader kan ook gevist worden met de droge vlieg, alleen de leadertip kan iets korter i.v.m. het goede overslaan van de droge vlieg.
Het kan bij een gladde waterspiegel mogelijk zijn dat met kleine droge vliegjes moet worden gevist, waardoor een dunnere leadertip(12/100) noodzakelijk wordt.

NATTE VLIEG EN NIMF.
In het algemeen voldoen alle donkergekleurde vliegen en nimfen op de haakmaten 10 tot 14.
Voorkeur betreffende een bepaalde natte vlieg of nimf heb ik nooit kunnen ontdekken. Een methode die ik met succes toepas is de volgende:
Aan het einde van de leadertip wordt een licht met koper- of looddraad verzwaarde nimf bevestigd, ongeveer 40 cm. daarboven een onverzwaarde natte vlieg.
't Vissen met meerdere (verzwaarde) kunstvliegen is voor velen in het begin wat lastig. De vliegen raken nogal eens in de war. Dit euvel is vrij eenvoudig te voorkomen, door altijd de zwaarste vlieg onderaan de leader te bevestigen en tijdens de voor- en achterwaartse worp een strip toe te passen. Deze strip houdt niet meer in dan een klein trekje aan de lijn, waardoor een versnelling ontstaat, die er voor zorgt dat de zwaarste vlieg goed doorschiet en automatisch de leader strekt, waarbij het halen van    behoorlijke afstanden mogelijk is.
De winde bevindt zich, zoals reeds eerder is vermeld, graag op de ondiepe plaatsen vlak langs de basaltstort. Indien hier evenwijdig aan de oever dicht langs de stenen wordt gevist is het mogelijk om redelijk selectief windes te vangen, zonder (behalve in de paaitijd van blankvoorn en brasem) van andere soorten veel last te hebben.
Het is belangrijk zich zo voorzichtig mogelijk langs de oever te verplaatsen om de schuwe azende windes niet te verstoren. Door de snelheid bij het binnenvissen van de vliegen te veranderen, stijgen de vangstkansen. Soms pakt een winde de vlieg, wanneer deze heel langzaam over de stenen wordt gevoerd, een andere keer wordt regelmatig toegehapt tijdens een plotselinge versnelling bij het binnenvissen.
Uitproberen blijft hier de enige juiste methode.

DROGE VLIEG.
Veruit de mooiste manier om windes te vangen is m.i. met de droge vlieg.
Het is in dit geval vanzelfsprekend nodig eerst aan de oppervlakte azende windes op te sporen.
Op plaatsen waar windes te verwachten zijn, kan vanaf de IJsselmeerdijk meestal de waterspiegel langs de basaltstenen geobserveerd worden. Zien we hier kleine kringetjes verschijnen, zonder dat dit gepaard gaat met geplons of gespetter dat de blankvoorn eigen is, dan kunnen we er vrijwel zeker van zijn met windes te maken te hebben.
Vooral bij stil warm weer heeft de winde ook wel de gewoonte om gelijktijdig met bek en de rug-en staartvin boven water te komen, alvorens zich weer rustig naar beneden te laten zakken.
Hebben we windes ontdekt, dan is het zaak ze zo voorzichtig mogelijk te benaderen. Zittend of knielend op de stenen en door zoveel mogelijk de vliegenlijn boven land op lengte te brengen is de kans de schuwe vis te verjagen het kleinst.  Bij de laatste voorwaartse worp wordt de vlieg op het water gezet op een afstand van ongeveer 50 cm voor de plaats waar de vis zich de laatste keer vertoonde (dit geldt alleen wanneer we te maken hebben met een vis die herhaaldelijk op de zelfde plaats stijgt).
Is de wind in een dergelijk geval landinwaarts, dan is het beter om de vlieg ter hoogte van de plaats waar de vis werd waargenomen op het water te zetten, echter 1 m verder van de oever verwijderd. De wind en de golfslag brengen de vlieg naar de winde zonder deze te verschrikken.
Als windes langzaam zwemmend langs de oever trekken, waarbij ze regelmatig stijgen verdient het aanbeveling de vlieg iets verder voor de vis aan te bieden(2 m). Negen van de tien keer zal de winde de vlieg ontdekken, indien deze is aangeboden ter hoogte van de zwemrichting van de vis. Hoogstbelangrijk is in ieder geval te vermijden dat u door een te verre worp de vis verjaagt.

WELKE DROGE VLIEGEN?
Een veel gehoord gezegde is dat windes vooral zijn te vangen met grote Palmervliegen.
Hoewel er weersomstandigheden zijn die 't gebruik hiervan mogelijk of soms noodzakelijk maken zijn deze verre in de minderheid.
In de praktijk gebeurt dit alleen bij een vrij stevige golfslag. Onder deze (meestal niet al te beste) omstandigheden wil het gebeuren dat de winde iets minder kieskeurig aast en misschien het silhouet van een palmervlieg iets sneller ontdekt.
Persoonlijk vis ik echter nooit op windes met palmers gebonden op een haak groter dan maat 14.
Vertoont het wateroppervlak kleine windrimpeltjes dan is een vlieg met een kleiner silhouet (haak 14 tot 16) aan te bevelen. In dit geval gaat mijn voorkeur uit naar vliegen met een bol lijfje van pauwenfibers met 1 of 2 grijze of zwarte hackles ingebonden bij het haakoog. (Grijze en zwarte hackles hebben ook de voorkeur van de winde, waarom???) Een plukje rode wol als staartje kan geen kwaad.
Als de waterspiegel zo goed als vlak is wordt het tijd om vliegen te gebruiken met een dun langwerpig lijfje (haak 16, kleiner is niet nodig).    Bij deze vliegjes is een dunnere leadertip (12/100) aan te bevelen. Onder deze omstandigheden heeft de winde tijd om de vlieg rustig te bestuderen en neemt deze dan ook op zijn dooie gemak.
Zelf gebruik ik nu vliegen met een lijfje van enkele fibers uit de staartveren van een fazant gecompleteerd door grijze of zwarte hackles bij het haakoog ingebonden, met een staartje van dezelfde kleur. Ik bind deze vliegjes graag met hackles die geschikt zijn voor iets kleinere vliegen en dus kortere zijfibers bezitten.
Om toch een redelijk drijfvermogen te krijgen gebruik ik meestal meerdere van deze korte hackletjes. De op deze manier gebonden vliegen veroorzaken minder missers dan soortgelijke met langere hackles.
De meeste missers vinden m.i nu niet plaats door te vroeg of te laat de haak te zetten, maar door 't gebruik van te grote vliegen met te lange hackles, die weliswaar door de winde gepakt, maar nog vlugger weer losgelaten worden. Diverse experimenten die mijn vismaat en ik samen deden, bevestigden steeds deze theorie.

DE DRIL.
't Zetten van van de haak moet rustig gebeuren.
Nadat de vlieg wordt genomen is het verstandig ongeveer een halve seconde te wachten alvorens de hengel iets op te heffen en de lijn strak te trekken. Een dunne leader tip(12/100) breekt snel wanneer dit te ruw gebeurd.
Vergeet nooit dat zich aan het einde van de lijn een vis kan bevinden met een gewicht tussen 3 en 5 pond.
De eerste tien seconden van de dril zijn meestal bepalend voor het wel of niet vangen van de vis. Wild schuddend met de kop probeert de winde zich aan de oppervlakte van de vlieg te ontdoen.    Is de vis goed gehaakt en de leadertip doorstaat dit geweld, dan is de rest van de dril een kwestie van een beetje geduld. Probeer de vis zo snel mogelijk weg te leiden van eventuele soortgenoten.
Als een winde is gevangen op een bepaalde plaats, verdient het aanbeveling even rustig te blijven zitten. Na enige tijd vertoont zich soms op een afstand van minder dan tien meter weer een winde. Deze zou verjaagd zijn, indien onmiddellijk werd doorgelopen langs de oever.
Geduld en een scherp oog worden altijd beloond bij deze visserij.

WINDES VANGEN GEMAKKELIJK?
Zeker niet! Ik hoop echter, dat dit artikel, waarin ik zo kort en bondig mogelijk de mijns inziens werkelijk belangrijke zaken de revue heb laten passeren, zal bijdragen tot een verrijking van de ervaringen met de vliegenhengel.
Voor de binnen onze grenzen blijvende     vliegvisser, die niet is vastgeroest aan de polders en ook het grote water waardeert, is het IJsselmeer een prachtige stek, die hem of haar in staat stelt met de vlieg te vissen op winde, in mijn ogen de mooiste inheemse sportvis die op deze wijze kan worden gevangen.

Lidmaatschap

Lid worden van de vereniging kan via deze site. Als u rechtsboven klikt komt u in het formulier om u op te geven.

Als u meer informatie over het lidmaatschap wenst klikt u op deze link.

Volg GHV

U kunt onze vereniging ook volgen via Facebook en Instagram.

Klik op de logo's om verbinding te maken.

facebook twitter

Fotogalerij

Er gebeurt veel in de vereniging.

Op deze pagina ziet u een overzicht van een aantal fotoalbums van onze activiteiten en foto's van vissen die door onze leden gevangen zijn.